IK NEEM ZE MEE NAAR VA

Werend en ik stonden al ongeduldig buiten te wachten terwijl onze vader de autosleutels nog aan het zoeken was.
“Pop, waar heb je de autosleutels gelaten?”
“Oh… op de gebruikelijke plaats overal in het huis”, riep mijn moeder cynisch naar beneden. “Je hebt ze zelf het laatst gehad !”
Ik denk dat mijn moeder het wel prettig vond even van Werenfriedje en mij verlost te zijn. Ze was net bevallen van Hadewijch en het was altijd overvol met mensen in de kleine flat aan het Spinozaplantsoen.
Mijn vader Cees had in de ouderslaapkamer zijn kantoor gevestigd waar secretaresse Lieke Vermeulen met krachtige aanslag de brieven typte voor Oostpriesterhulp terwijl Werend en ik regelmatig het bed achter haar als trampoline gebruikten. “Trappelzakboogie… trappelzakboogie…” zongen we dan terwijl we hoog opsprongen. De slopen haalden we van de kussens en trokken ze als trappelzak aan. 

Ik kan me herinneren dat we een keer al springend op het bed elkaar met appelflappen bekogelden en deden wie het hoogste kon gooien. Er bleef er eentje op het zachtboard plafond plakken wat ons de slappe lach bezorgde. Pas na enkele minuten kwam de flap onverwacht naar beneden, een vette afdruk  achterlatend, we kwamen niet meer bij..

 “Wat is dat voor een raar rondje op het plafond” vroeg tante Corry.

Werend en ik wilden altijd maar wat graag meehelpen in het huishouden. We stonden alle twee op een kruk voor het granieten aanrecht en deden de afwas. Oh.. wat was het blauwwit geblokte servies schoon geworden. We droegen de borden en de kopjes een voor een naar de kast en pas veel later hoorde ik dat we op een schaal na, het hele servies hadden gebroken. Die herinnering heb ik vast en zeker meteen verdrongen.

Iedere zondag gingen we naar Harmelen, naar Opa Griffioen. De zwarte Volkswagen diende wekelijks gewassen te worden en er was ruimte genoeg op het erf naast het huis van opa om deze klus te klaren..
We mochten helpen met de auto nat spuiten. In mijn herinnering ging mijn vader altijd vrij snel het huis in, ons achterlatend met emmer, borstel en spuitende slang.
Hij moest altijd praten met Opa...
Aan deze herinnering kleeft een geur van groene huishoudzeep, sigarenrook, groentesoep, jenever en kippen.
Want er waren kippen.
Als ik het smalle paadje afliep naar iets dat ik niet meer weet, renden die grote beesten met hun rare vleeskuiven altijd fladderend weg.
Links en rechts  van het paadje was er een strook grond waar aardappels groeiden. Soms zag je er een paar boven de vette klei uitkomen wanneer Werend en ik met onze kaplaarsjes aan door het veldje baggerden en het loof vertrapten.
Wisten wij veel… groeien aardappels in de grond en kon je ze dan nog wel eten ?
Wij waren echt stadskinderen.
“Papa, ik lust geen melk van de koe, alleen maar uit de fles!”

Wanneer we genoeg hadden van het buitenspelen gingen we binnen de boel verkennen. Maar eerst kregen we een dikke bruine boterham met kaas en een beker melk uit de melkkoker waar aan de rand altijd een slap slijmerig vel plakte.
Opa’s huis aan de Tiendweg was spannend voor ons. Het had houten luiken voor de ramen waardoor het binnen nogal donker was. Het huis rook altijd naar petroleum, groentesoep en sigaren want Opa rookte sigaren en er stond altijd een pan soep op het petroleumstel.
En dan de plee! De plee zonder doortrekker! Je moest gaan zitten op een houten verhoging en je behoefte doen door de opening. Wanneer je klaar was deed je gewoon het houten deksel op het gat. Dat gaf zo’n speciaal dof geluid. Maar daarvoor keek ik altijd even griezelend in de peilloze zwarte diepte en hoorde dan altijd rare geluiden komen uit de berg poep. Blub, blub, blub…Net onder de rand woonden er vette spinnen. Ik deed het liever in mijn broek dus misschien was de stank die ik me herinner wel afkomstig van mezelf en niet van die plee. Ik was een jaar of drie.

De woonkeuken (?) had een luik in de hoek van het plafond dat altijd open stond. Later begreep ik dat het diende om de opstijgende warmte van de kachel beneden, door te laten naar de ijskoude klamvochtige slaapvertrekken boven.
Van onderaf gezien was het luik niet zo spannend. Werend en ik gingen liever naar boven. Er stonden daar een stuk of wat ijzeren bedden met gestreepte stromatrassen waarop dunne grauwe dekens lagen. De slaapruimte van de tantes werd door een gordijn afgescheiden van de slaapruimte van de ooms.
Maar we kwamen voor het open luik. Op ons buik lagen we op de grond stiekem naar beneden te kijken, want eigenlijk mocht het niet.. Gevaarlijk!
Ver beneden ons zagen we de tafel met de resten van de broodmaaltijd. Een onbekende tante of misschien wel een dienstmeisje was aan het opruimen en deed de vetglimmende kaas onder de glazen stolp.

“Hoe ver durf jij je hoofd erdoor te steken? Ik durf ver!”

Maar beneden had ik al gezien hoeveel spinnen er wel niet waren in de hoeken van het plafond en ook die bruine kleefreep vol met bromvliegen die met paniekerig hoog gezoem probeerden los te komen , was vanuit het luik veel dichterbij.
 
De mensen beneden hadden plezier want er werd veel gelachen en gepraat. Deze herinnering vormt mijn eerste besef van die typische Griffioenen-lol, die speciale humor in de puntige verhalen, altijd nat gehouden door een flinke slok.
Wie waren er? Ik herinner me mijn vader, oom Jan, tante Agnes in een soort van verpleegstersuniform en onze grootvader.

“Ik heb een wagen vol geladen, vol met stoute kinderen….. Hop paardje Hop…”
We zaten in de bakfiets bij Opa. Waar gingen we naar toe?
Ik kan me een bloesemlaantje herinneren en een grote zandbak langs de kant van de weg. Ik kan me ook herinneren dat Opa onderweg veel bekenden tegenkwam en dan telkens stopte.
“Dit zijn mijn kleinkinderen.. Werenfried en Cloartji.” En hij fietste dan weer verder, zwaar trappend. Hij had een sigaar in zijn mond, maar die was uit.
Opa was trots met zijn kleinkinderen en wij voelden ons ook trots omdat we als enige in de wereld in de bakfiets mochten.
 
Claartje werd Cloartji met een onnavolgbare Harmelense tongval.

“Hoe klinkt ‘benen’ op zijn Harmelens?” Na ‘bih’ trek je het achterste van je tong zowat in je slokdarm zodat een vochtig afgedempte ‘r’ vaag hoorbaar wordt direct gevolgd door ‘nun’. Dus BIHrNUN.
Ik geloof dat we dit van oom Jan leerden. Oom Jan die ons  ‘Luft’ kadoo wilde doen. Hij hield zijn handen op elkaar en als wij ze van elkaar konden trekken mochten we de ‘Luft’ hebben. Dat onbedaarlijke lachen van hem naderhand, snapte ik niet zo erg.

“Zeggen jullie opa gedag? We gaan naar huis”.
Terwijl ik dit schrijf komt er een herinnering boven dat mijn vader een stuk zelfgebakken cake meekreeg voor thuis.

We zaten nooit bij onze grootvader of grootmoeder op schoot en we gaven ze ook geen kus. Hoe klein je ook was je voelde al dat zoiets ‘not done’ was bij deze grootouders.
Maar vol verwachting namen we altijd afscheid. Zou Opa het weer doen?
En ja… elke keer kregen we een papieren rijksdaalder van hem.

Wat herinner ik me van onze grootmoeder? Dat ze op haar sterfbed lag in een bed met  spijlen aan het hoofd- en voeteneind. Tussen de spijlen door keek ik naar haar gezicht. Ze had haar ogen gesloten en het kan zijn dat haar haar niet zoals altijd in een knotje zat
“Oma is nu in de hemel bij de engelen”, vertelde mijn moeder ons.
Werend en ik zongen vrolijk “en oma is een engeltje, een engeltje…”.

Deze herinneringen horen bij het oude huis aan de Tiendweg. Het zijn slechts flarden en waarschijnlijk niet in de juiste volgorde van tijd. Verder terug heb ik van horen en zeggen, zoals dat mijn vader als klein jongetje altijd bij zijn grootmoeder in Kamerik de Katholieke Illustraties mocht lezen die ze bewaarde in haar bedstee en dat Opa mijn vaders boeken verbrandde omdat hij vond dat er nu eens echt gewerkt moest worden en dat mijn vader altijd schandalig werd voorgetrokken door zijn moeder…
Spannend waren ook mijn vaders verhalen over de godsdienstoorlogen in Vleuten tussen de katholieke en protestante scholen en hoe de katholieken onder zijn bezielende leiding altijd wonnen.
Ja…mijn vader was een echte Griffioen want een echte Griffioen bewaakt het goud en is bewaarder van kostbare schatten en als klein misdienaartje had hij wel gezien welk een pracht en praal de kerk in zich herbergde. Mmmmmm…
Griffioenen komen oorspronkelijk uit India en trokken vervolgens de hele wereld door, vertelde mijn vader ons trots.  Het was ook een moedig en zeer intelligent dier met sterke vleugels die hem de vrijheid gaven om te gaan en staan waar hij zelf maar wilde.
Wie wil er nou geen Griffioen zijn?

Claar Griffioen
Lombok Indonesia
25 maart 2005

 

Back