M a r i a   r e d   o n s door Claar Griffioen

“Chiara Maria”, riep mijn vader naar beneden. Ik liep naar boven en zag mijn vader in de deuropening van zijn kantoor staan. Hij zag er bezweet uit maar wreef tevreden in zijn handen.
“Kijk”, hij zwaaide de deur verder open en bood me een blik op de lange wand met boeken.
Wat een verschil!
Voorheen leek zijn bibliotheek op een door de jaren heen steeds groter geworden chaotische constructie. Wanneer je even een boek wilde pakken ging dat altijd gepaard met een gedeeltelijke instorting. Nu zag ik georganiseerde rijen in het gelid, gesorteerd op auteur, kleur en grootte.
“Het is volbracht”, zei hij met een grijns. “Godzijdank” zei ik welgemeend want hij teisterde het hele gezin al enige weken met verhalen over de stand van zaken betreffende de boekenkast. De onverwachte vondsten, herinneringen, geschiedenis, vergeten schrijvers, verloren kennis… het ging maar door.
“Dit is voor jou”, zei mijn vader en gaf me een klein dun boekje dat mij onmiddellijk terugplaatste in de tijd, naar de begin jaren zestig. Kleumend van de kou wachtten wij kinderen Griffioen op het kerkplein tot de kerk uitging. De kapelwagen van Oostpriesterhulp stond op de stoep geparkeerd en was afgeladen met dozen vol boekjes die wij aan de kerkgangers moesten verkopen.
“Hier spreekt Oostpriesterhulp!”, donderde het in mijn hoofd.
Mijn vader oefende graag thuis zijn smeekpreken om geld en goederen voor de medemens in nood met zijn immer rondzingende geluidsinstallatie.
Hij stond al klaar om de mensen vanuit de kapelwagen toe te spreken.
“Geef een pakje met kleding, schoeisel en levensmiddelen en laat uw naaste niet aan uw deur voorbijgaan!”
Schoensmeer verstond ik altijd en ik begreep niet dat de vluchtelingen achter het IJzeren Gordijn schoensmeer nodig hadden. Of de gevangenen in Noord-Siberie die spraken van pijn, honger en kou, van duisternis, eenzaamheid, brandende dorst en van vermorzelde harten
“Maria red ons” baden de vier Litouwse meisjes dan ook in hun gevangenis in Noord-Siberië. Ik had dit allemaal gelezen in het smartelijke boekje dat we toen verkochten.

Mijn vader stierf zomaar, zonder waarschuwing, de dag nadat hij me dit bijzondere bundeltje had gegeven.
Ergens in mijn chaotische boekenkast bevindt zich dit kleine gebedsboekje dat mijn beeld van Maria gestalte heeft gegeven. Ook al vind ik de uitgever ervan, Oostpriesterhulp, een enge organisatie en zou ik nooit zo kunnen bidden omdat ik niet gelovig ben, betekent dit boekje voor mij dat ik alert moet blijven voor wat er in de wereld gebeurt. Want nu, bijna een halve eeuw later is er nog evenveel ellende in de wereld. De roep om hulp wordt vanuit het rijke westen beantwoord door vele hulporganisaties waarmee mijn vader zich later had verbonden vanuit zijn oprechte roeping om rechtvaardigheid en troost te brengen. Maar ook hij kreeg te maken met bureaucratie, politiek en de koers van de dollar. Big Business en dan lijkt zo’n directe smeekbede om hulp ondanks de moderne technologie wel van heel ver te komen.
‘Maria red ons’ is mijn symbool voor de directe weg naar het hart.

(In 1961 uitgegeven door Oostpriesterhulp | Mensen in Nood | Inleiding Z.Em. Kardinaal Alfrink | m.m.v. Gabriel Smit | Gebeden van vier Litouwse meisjes in gevangenschap in Noord Siberie)